Themabijeenkomst met prof. dr. Alfred Slager
Na de Wtp-transitie zullen de ogen van deelnemers meer gericht zijn op rendement. Maar waarin verschillen pensioenfondsen dan nog van vermogensbeheerders? Fondsen moeten hun toegevoegde waarde kennen én kunnen articuleren. “Het zou zomaar kunnen dat intern toezichthouders meer met deelnemers moeten gaan communiceren.”
Deelnemers aan pensioenfondsen hadden nooit veel interesse in de achterliggende cijfers. De afspraak was duidelijk: dit betaal jij en dit krijg jij er later voor terug. Na de Wtp-transitie is de uitkering van de deelnemer explicieter gekoppeld aan het wel en wee van het fonds. “Daarmee wordt de deelnemer mede-investeerder en risicodrager”, betoogt prof. dr. Alfred Slager, hoogleraar institutionele beleggingen aan de Vrije Universiteit Amsterdam, tijdens de VITP-bijeenkomst op 23 maart. “Het deelnemersperspectief gaat meer veranderen dan wij nu denken. De beleggingsfocus gaat boven alles uitstijgen.”
Kijk met andere ogen naar governance
Slager rept over de intermediair-paradox. Nederlanders willen graag pensioen, maar niet per se een pensioenfonds. Volgens Slager is het van belang dat bestuurders dat beseffen. Want alleen het feit dat de functies van een pensioenfonds altijd hebben bestaan én blijven bestaan, betekent niet dat fondsen in hun huidige vorm moeten blijven bestaan.
De hoogleraar is er dan ook van overtuigd dat redeneren vanuit de bestaande governance ‘beperkte houdbaarheid’ heeft. “Onze neiging is om vast te houden aan de huidige vorm en werkwijze. We zouden onze dienstverlening en governance moeten herontwerpen vanuit deelnemersperspectief. Niet van bestuur naar deelnemer, maar andersom.”
Transities zoals de Wtp zijn onomkeerbaar, complex en zijn van niemand eigendom; er zijn veel verschillende stakeholders bij betrokken. Het is de taak van het intern toezicht om tijdens dit soort periodes van structurele onzekerheid de waarde van een pensioenfonds te bewaken. Volgens Slager kan dit alleen als fondsen hun eigen bestaansrecht helder voor ogen hebben – én dit ook kunnen articuleren.
Niet uitgaan van vanzelfsprekendheid
In de zaal deze middag is niet iedereen het daarmee eens. Volgens sommige aanwezigen vormt de verplichtstelling op zichzelf al het bestaansrecht. Anderen vinden dat pensioenfondsen ‘de facto’ bestaansrecht hebben, ook als dit niet helder is voor de deelnemer. Een andere aanwezige vindt dat te makkelijk. Als we ons alleen maar verschuilen achter de verplichtstelling, en de toegevoegde waarde daarvan niet eens kunnen uitleggen, dan staat alles op losse schroeven. “Als deze tijden íets laten zien, dan is het dat we niet mogen uitgaan van vanzelfsprekendheid.”
Slager betoogt dat het cruciaal is dat fondsen weten waarin ze verschillen van vermogensbeheerders. Ook omdat het na de Wtp-transitie een kwestie van tijd is voordat media zullen uitpakken met ‘kostenlijstjes’ waarbij pensioenfondsen en vermogensbeheerders op één hoop worden gegooid. Mogelijke koppen in krant laten zich raden: ‘Pensioenfondsen fors duurder dan vermogensbeheerders’.
De USP’s van een pensioenfonds
Een pensioenfonds dient een sociaal doel, aldus Slager. Het verbindt, beschermt en belegt. Mensen bouwen er een oudedagsvoorziening op, met beperkte vormen van herverdeling. Dankzij een kritieke massa heeft het ook kritieke wendbaarheid. En waar de vermogensbeheerder zich richt op de opbouwfase, ligt bij een pensioenfonds de focus op de (levenslange) uitkeringsfase. Tegelijkertijd is een pensioenfonds wel een financiële dienstverlener ‘die moet handelen zoals van een professionele verzekeraar of vermogensbeheerder mag worden verwacht’.
VITP-voorzitter Peter de Groot onderstreept dat. “Als wij niet beseffen dat we een ander product leveren dan vermogensbeheerders, dan hebben we een heel groot probleem. We moeten niet als lemmingen achter de AFM aanlopen. Pas op dat we ons na de transitie niet als vermogensbeheerder gaan gedragen. Pensioenfondsen zijn sociaal, solidair en collectief. Dat is héél iets anders dan de individuele benadering van een vermogensbeheerder.”
In lijn daarmee moeten fondsen heldere doelstellingen hebben voor effectieve governance. Want zonder duidelijk doel is sturing of toezichthouden onmogelijk. Het intern toezicht krijgt, aldus Slager, ‘een zwaardere rol’. Zij moet ervoor waken dat deelnemers bereid blijven hun financiële belangen toe te vertrouwen aan het fonds, ook als het tegenzit. Daarvoor moeten deelnemers de toegevoegde waarde (en dus het bestaansrecht) van hun fonds kennen.
Zijn we saai en voorspelbaar?
Intern toezichthouders zouden daarin best een meer proactieve rol mogen pakken, vindt de hoogleraar. “We hebben naar de buitenwereld het beeld geschetst dat de nieuwe regels pensioen makkelijker, simpeler en kostenefficiënter maken. Dan moeten we niet gek opkijken als we daar straks op kritisch bevraagd gaan worden, dat deelnemers bij het intern toezicht gaan aankloppen. Interne toezichthouders hoeven heus niet direct de media op te zoeken, maar het mag ook best wat meer dan de twee pagina’s in het jaarverslag die deelnemers nauwelijks lezen.”
Uiteindelijk gaat het om bouwen aan vertrouwen, besluit Slager. “Als we daarin slagen, dan gaat de aandacht niet alleen meer uit naar rendement, maar ook naar consistentie. Eigenlijk moeten we onszelf afvragen: zijn we saai, voorspelbaar en daarmee betrouwbaar voor deelnemers die hun pensioen voor tientallen jaren vooruit aan ons toevertrouwen? Want misschien is dat wel het grootste compliment dat we kunnen krijgen.”