VITP-Toezichtcode

Bijgaand vindt u de VITP-Toezichtcode. Klik hier om de code te downloaden

Er is inmiddels een klankbordcommissie gevormd. Deze commissie is in het leven geroepen om daar waar er vragen zijn over het gebruik van de VITP-toezichtcode,  leden kunnen zich tot deze commissie wenden.

De commissie bestaat uit:

  • Dick Wenting (voorzitter)
  • Erwin Capitain
  • Peter de Groot
  • Wendy de Jong
  • Gerard van de Kuilen
  • Piet Hein Oyens
  • Emilie Schols
  • Henk-Jan Strang
  • Aalko van der Veen

De volgende vragen zijn al beantwoord door de klankbordgroep, de antwoorden leest u op het ledengedeelte van deze website (voorbehouden aan leden van VITP):

  • Probleemstelling 9

    Een van de leden van de VITP had aan DNB de vraag gesteld of het bestuur van pensioenfondsen in of na overleg met de overige fondsorganen de risicohouding vaststelt.

  • Probleemstelling 8 (14 december 2015)

    In norm 45 van de Code Pensioenfondsen staat dat een lid van de raad van toezicht of visitatiecommissie wordt benoemd door het bestuur na eenbindende voordracht van het verantwoordingsorgaan en wordt ontslagen door het bestuur na bindend advies van het verantwoordingsorgaan.

    Vraag: hoe dient de raad van toezicht bij de uitoefening van zijn toezicht te handelen indien van deze bepaling wordt afgeweken en wordt afgezwakt tot een niet bindende voordracht en niet bindend advies?

  • Probleemstelling 7 (26 mei 2015)
    Artikel 102a van de Pensioenwet bepaalt dat het bestuur in overleg met de overige fondsorganen de doelstellingen en beleidsuitgangspunten, waaronder de risicohouding, van het pensioenfonds moet vastleggen. Het artikel bepaalt tevens dat deze doelstellingen en beleidsuitgangspunten (onder meer) worden gebruikt bij de invulling van het intern toezicht.

    Deze bepaling doet de volgende vragen rijzen met betrekking tot de actieve betrokkenheid van het intern toezicht bij deze kerntaken van het bestuur van het pensioenfonds:
    1.  Dient de visitatiecommissie als “fondsorgaan” in de zin van 102a PW te worden gekwalificeerd, of komt dit predicaat alleen de raad van toezicht toe?
    2.  Welke juridische – en/of niet juridische argumenten rechtvaardigen een onderscheid tussen de raad van toezicht en de visitatiecommissie bij de invulling van artikel 102a? Welke argumenten pleiten juist niet voor het maken van een dergelijk onderscheid?
    3.  Als de visitatiecommissie wel een fondsorgaan is hoe, en op welk moment, dient het bestuur de commissie dan bij de doelstellingen en beleidsuitgangspunten van het fonds te betrekken en hoe gaat een visitatiecommissie, die vaak alleen jaarlijks een momentopname van het fonds maakt, deze verantwoordelijkheid in de praktijk invullen?
    4.  Indien de visitatiecommissie geen fondsorgaan is, welke verantwoordelijkheid heeft de commissie dan als intern toezichthouder op het beleid van het bestuur en de algemene gang van zaken van het fonds? Immers, deze twee wettelijke hoofdtaken van het intern toezicht raken direct (het proces van totstandkoming van) de doelstellingen, de beleidsuitgangspunten en de risicohouding van het pensioenfonds (als bedoeld in artikel 102a Pw)?
    5.  Welke stappen zou de visitatiecommissie richting het bestuur moeten nemen ter invulling van zijn verantwoordelijkheid als intern toezichthouder bij de vastlegging van de doelstellingen, de beleidsuitgangspunten en de risicohouding van het pensioenfonds (al dan niet als fondsorgaan in de zin van artikel 102a PW)?

  • Probleemstelling 6 (17 april 2015)
    Binnen de RvT kwam de vraag op over de periode waarop de eerste rapportage betrekking moet hebben. De voorkeur van de RvT gaat uit naar een referentieperiode van 1 juli tot 31 december 2014, omdat de RvT per 1 juli is geïnstalleerd en de leden vanaf dat moment benoemd zijn. Maar omdat de bevindingen ook gebaseerd zijn op documenten en bronnen met betrekking tot het eerste halfjaar 2014, waren er ook geluiden die pleiten voor het gehele verslagjaar als referentieperiode.
  • Probleemstelling 5 (13 januari 2015) 
    De pool deskundigen die geschikt zijn voor bestuurlijke en/of toezichthoudende functies bij pensioenfondsen is klein. Dit mede vanwege de strenge goedkeuringsprocedure van DNB. Voor de pensioensector is specifiek dat bestuurders parttime functies zijn. Daardoor komt het vaak voor dat personen bij meer dan één fonds een bestuurlijke dan wel toezichthoudende functie vervullen, met als gevolg mogelijke samenloop en samenhang van relaties. 
    Diverse mogelijke situaties zijn denkbaar. Hieronder een voorbeeld: 
    Persoon A is toezichthouder bij fonds X waar persoon B bestuurder is en tegelijkertijd zijn A en B toezichthouder bij fonds Y. Een mogelijk kritische houding van toezichthouder A op het bestuur van fonds X zou de samenwerking van toezichthouders A en B negatief kunnen beïnvloeden, in dit geval bij toezicht op fonds Y. Anderzijds zou een samenwerking tussen A en B het kritisch functioneren van A als toezichthouder bij fonds X ook kunnen belemmeren. 
    Vraag: In hoeverre kunnen dergelijke personele combinaties een aantasting zijn van de onafhankelijkheid?

  • Probleemstelling 4 (13 januari 2015) 
    1. In bijlage 7 van de VITP Code (voorbeeld indeling rapport) worden bij 4 (Bevindingen) de volgende paragrafen gemist: algemene gang van zaken in het fonds, communicatie, naleving code pensioenfondsen en cultuur & gedrag (zie ook hoofdstuk 5 en bijlage 5). 
    2. In paragraaf 5.2 staat dat het intern toezicht beoordeelt of de commissiestructuur aansluit op de besturingsfilosofie van het fonds. In de praktijk lijkt dat fondsen niet echt nadenken over hun besturingsfilosofie.
    Vraag: Hoe ziet de klankbordgroep dit? 
    3. Het vermogensbeheer lijkt wat onderbelicht in de code. Alleen in bijlage 6 is hier expliciet iets over te vinden.
    Vraag: Hoe ziet de klankbordgroep dit?

  • Probleemstelling 3 (8 december 2014)
    In de Handreiking Code Pensioenfondsen staat vermeld dat het intern toezicht de bevindingen mondeling toelicht aan VO/BO. Dit mis ik in de VITP-code, volgens mij. 
    Vraag: klopt dat en zo ja, waarom? 

  • Probleemstelling 2 (8 december 2014)
    Binnen het bestuur vindt per 1 januari as de jaarlijkse wisseling plaats van voorzitter. Dit is bij een BPF gebruikelijk. Normaal fungeren een bestuurslid van werkgeverszijde en werknemerszijde in toerbeurten de rol van voorzitter en secretaris. Het is gebruikelijk dat de huidige voorzitter secretaris wordt en vice versa. Deze keer echter heeft een van de afvaardigende partijen ervoor gekozen om niet de zittende voorzitter, maar een ander bestuurslid voor te dragen als voorzitter.
    DNB vraagt bij rolwijziging een melding hiervan te doen om zodoende al dan niet te toetsen.
    Van de Raad van Toezicht wordt verwacht dat zij goedkeuring geven aan benoemingen van nieuwe bestuurders.
    Vraag: dient de RvT toestemming te geven aan deze rolinvulling? 

  • Probleemstelling 1 (8 december 2014)
    In paragraaf 3.1.5 van de VITP Code staat dat het intern toezicht tenminste spreekt met het bestuur, het VO/BO en de directeur/fondsmanager. In bijlage 4 staat echter dat het intern toezicht altijd minimaal met het bestuur zal spreken.
    Vraag: wat is minimaal, dat wat staat op pagina 14 of dat wat in bijlage 4 staat?